Gouden Bul van 1356
De moeilijkheden bij het kiezen van de koning leidden uiteindelijk tot het ontstaan van een vast college van keurvorsten (Kurfürsten), waarvan de samenstelling en procedures werden vastgelegd in de Gouden Bul van 1356, die geldig bleef tot 1806. Deze ontwikkeling symboliseert waarschijnlijk het best de opkomende dualiteit tussen keizer en rijk (Kaiser und Reich), die niet langer als identiek werden beschouwd. De Gouden Bul legde ook het systeem voor de verkiezing van de Heilige Roomse Keizer vast. De keizer moest voortaan met een meerderheid worden gekozen in plaats van met instemming van alle zeven keurvorsten. Voor keurvorsten werd de titel erfelijk en kregen zij het recht om munten te slaan en jurisdictie uit te oefenen. Ook werd aanbevolen dat hun zonen de keizerlijke talen leerden – Duits, Latijn, Italiaans en Tsjechisch.
